|
|
|
Nieuwsbrief
|
Nieuwsbrief zomer 2012
|
Verslaving werknemer aan drugs/alcohol ziekte?
Een werkgever had een werknemer ontslagen op staande voet omdat hij stelselmatig te laat kwam en ook vaak onder invloed was van alcohol en/of drugs. De werkgever vroeg bij de kantonrechter te Zutphen om de arbeidsovereenkomst te ontbinden (‘voor zover vereist’), te weten voor het geval het ontslag op staande voet later nietig zou worden bevonden door een rechter.
De kantonrechter te Zutphen heeft op 27 februari 2012 (gepubliceerd op 14 mei 2012) echter bepaald dat het opzegverbod van kracht is. Hoewel een kantonrechter ook bij ziekte kan ontbinden, heeft de kantonrechter dit niet gedaan omdat hij reflexwerking toekende aan het opzegverbod. De kantonrechter overweegt als volgt:
”onder de gegeven omstandigheden staat vast dat verweerder verslaafd is aan alcohol en drugs, het geen aangemerkt moet worden als ziekte in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Deze ziekte moet als onderliggende oorzaak van de problemen worden gezien. De reflexwerking van het opzegverbod brengt met zich dat het verzoek moet worden afgewezen…(..)..De kantonrechter ziet aanleiding de STECR werkwijzer verslaving en werk (www.stecr.nl) onder de aandacht van verzoekster te brengen “.
De STECR werkwijzer verslaving en werk is recent (december 2011) ontwikkeld ten behoeve van Arbo professionals (werkgevers/bedrijfsartsen). De verschuiving die in de jurisprudentie al langer gaande was ten aanzien van alcohol (van verwijtbaar gedrag naar ziekte) is daarin verder geconcretiseerd. Aan werkgevers wordt in de STECR werkwijzer geadviseerd dat zij beleid ontwikkelen om hun werknemers te helpen om van hun verslaving af te komen. Pas als de diverse inspanningen niet tot verbetering leiden, zal tot ontslag kunnen worden overgaan.
De ambtenarenrechters zijn (nog steeds) van mening dat een alcoholverslaving geen ziekte is, maar de STECR-richtlijn zegt met zoveel woorden dat die juridische visie geen medische basis heeft.
Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. N.M. (Nienke) Slump: nms@justionadvocaten.nl
|
|
|
Zelfde bescherming ZZP'er en werknemers
In onze nieuwsbrief van april 2012 meldden wij al dat onder omstandigheden een ontslagvergunning nodig is om de overeenkomst van opdracht met een ZZP’er te beëindigen. Artikel 1 lid a sub 2 van het BBA bepaalt namelijk dat onder een ‘werknemer’ naast een reguliere werknemer ex artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek, tevens wordt verstaan degene die ‘persoonlijk arbeid’ verricht voor een ander, tenzij: - hij de arbeid in de regel voor meer dan twee opdrachtgevers verricht; of - hij zich door meer dan twee andere personen, niet zijnde zijn echtgenoot of geregistreerde partner of bij hem inwonende bloedverwanten en dergelijke, laat bijstaan; of - de arbeid voor hem slechts een bijkomstige werkzaamheid is. Indien een ZZP’er ‘persoonlijk arbeid’ verricht en voormelde uitzonderingen niet van toepassing zijn, is voor de opzegging van de opdrachtovereenkomst een ontslagvergunning van het UWV vereist.
De staatssecretaris van Sociale Zaken heeft op 13 juni 2012 bepaald dat een opdrachtgever die ZZP’ers op dezelfde arbeidsplaats als andere werkenden zoals ‘gewone’ werknemers laat werken, met ingang van 1 juli 2012 jegens ZZP’ers dezelfde normen voor veilig en gezond werken in acht moet nemen als die voor werknemers in loondienst gelden. De staatssecretaris heeft daartoe het Arbeidsomstandighedenbesluit aangepast en neemt daarmee het advies over van de Sociaal-Economische Raad (SER) over zelfstandigen en arbeidsomstandigheden. De gelijkstelling maakt tegelijkertijd het handhaven van Arboregels eenvoudiger en beter. Voor zelfstandigen die alleen werken golden al regels ter bescherming tegen ernstige risico’s. Daar verandert niets aan.
De in acht te nemen normen voor veilig en gezond werken zijn zo omvangrijk dat deze in het bestek van deze nieuwsbrief niet uitvoerig behandeld kunnen worden.
Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. C.W.L. (Chris) van de Merbel: cvdm@justionadvocaten.nl of mr. J.P. (Jan-Peter) de Man: jpdm@justionadvocaten.nl
|
|
Herhalen zienswijze als beroepsgrond risicovol
In de zaak die leidde tot uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 mei 2012, LJN: BW4539, heeft de partij die in beroep is gegaan (appellant), zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen. Pas in een later stadium van de procedure, te weten op de zitting hebben zij hun beroepsgronden nader toegelicht. Opnieuw bevestigt de Afdeling dat een enkele verwijzing in het beroepschrift naar de eerder bij het bestuursorgaan ingediende zienswijze, niet voldoende is als grond voor het beroepschrift. De appellant moet aangeven, voor zover door het bestuursorgaan op de zienswijze is geantwoord, waarom de beantwoording van de zienswijze onjuist zou zijn. Dit hoeft niet meteen in het beroepschrift. Maar let op: dit is niet zonder risico.
De Afdeling oordeelt dat ook na afloop van de beroepstermijn nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond kunnen worden ingediend. Dit mag echter niet in strijd zijn met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar laat worden ingediend, waardoor overige in de procedure betrokken belanghebbenden worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of waardoor de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. Het verstrekken van een toelichting met een complexe uiteenzetting op de zitting (en dus niet in een eerder stadium van de procedure) was volgens de Afdeling in deze zaak duidelijk te laat. Resultaat: beroep ongegrond.
Meer weten ? Neemt u gerust contact op met mr. A.C. (Andre) van Langen: avl@justionadvocaten.nl
|
|
Wetsvoorstel wijziging partneralimentatie
De VVD, PvdA en D66 komen met een wetsvoorstel dat voorziet in een versobering van de partneralimentatie. Uitgangspunt van deze partijen daarbij is dat de regeling eerlijker, simpeler en korter wordt. Bovendien wordt de grondslag voor de betaling van partneralimentatie wettelijk vastgelegd. Deze grondslag is compensatie voor het gedurende het huwelijk ontstane verlies aan verdiencapaciteit. De alimentatie is dus een compensatie voor de tijd dat één van de partners niet of minder aan zijn of haar carrière heeft kunnen besteden.
Nu is het nog zo dat partneralimentatie maximaal 12 jaar duurt. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen wordt de duur van de partneralimentatie samengevat als volgt. Bij een kinderloos huwelijk, korter dan drie jaar is er geen recht op partneralimentatie. Bij een kinderloos huwelijk langer dan drie jaar kan partneralimentatie verschuldigd zijn voor de duur van de helft van het huwelijk met een maximum van vijf jaar.
Bij een huwelijk met kinderen geldt dat de partneralimentatie wordt verlengd totdat het jongste kind de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, of wel de helft van het huwelijk met een maximum van vijf jaar. Het moet dan wel duidelijk zijn dat de alimentatiegerechtigde grotendeels voor het kind/de kinderen heeft gezorgd. Indien de zorgverplichting gelijk was en beide ouders werken, dan is er geen recht op partneralimentatie.
Voor echtparen die langer dan vijftien jaar getrouwd zijn geweest en waarvan een van beide partijen nimmer heeft gewerkt, achten de indieners van de initiatiefnota een uitzondering op zijn plaats: in dat geval is de partneralimentatie verplicht voor de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van tien jaar.
Bovenstaand voorstel is overigens slechts opgenomen in een initiatiefnota. Na de verkiezingen van 12 september 2012 zal wellicht duidelijk worden of er daadwerkelijk een wetsvoorstel komt.
Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. J. (Joke) Mikes: jmi@justionadvocaten.nl of met mr. L.C. (Lizelotte) de Hoog: ldh@justionadvocaten.nl
|
|
|
Huurovereenkomst naar zijn aard van korte duur
De Leegstandwet biedt onder strikte voorwaarden de mogelijkheid om woningen tijdelijk zonder huurbescherming te verhuren. Om van deze regeling gebruik te maken dient van het College van B en W een vergunning te worden verkregen. De huurovereenkomst moet daarnaast voor ten minste zes maanden worden aangegaan en voor de verhuurder geldt een opzegtermijn van minimaal drie maanden.
Daarnaast kan met het sluiten van een huurovereenkomst “naar zijn aard van korte duur” worden bereikt dat door een huurder geen enkel beroep op huurbescherming kan worden gedaan (artikel 7:232 lid 2 BW). De overeenkomst van korte duur is een huurovereenkomst voor bepaalde tijd. Hieronder vallen bijvoorbeeld de huurovereenkomst voor vakantiehuisjes en de huurovereenkomsten voor wisselwoningen. De overeenkomst kan ook worden gebruikt als de verhuurder een woning binnen een bepaalde termijn wenst te slopen of te renoveren waarbij huurbeëindiging noodzakelijk is. Er moet dan wel sprake zijn van een huurovereenkomst, waarin uitdrukkelijk is vastgelegd dat er sprake is van een tijdelijk huurcontract. Uit de wetgeschiedenis kan worden afgeleid dat het moet gaan om gevallen waarin voor iedereen duidelijk is dat geen sprake kan en mag zijn van een beroep op huurbescherming. Dit vereiste moet met name blijken uit de redactie van de huurovereenkomst.
Lange tijd bestond in de praktijk veel onduidelijkheid over de verhouding tussen de huurovereenkomst naar zijn aard van korte duur en huur op basis van de Leegstandwet. Rechters oordeelden verschillend over de vraag of verhuurders niet eerst geprobeerd moesten hebben een Leegstandwetvergunning te verkrijgen vóórdat zij een huurovereenkomst naar zijn aard van korte duur konden sluiten.
De Hoge Raad heeft met zijn arrest van 13 april 2012 (LJN BV2628) duidelijkheid gegeven. De Hoge Raad oordeelt dat het aanvragen van een Leegstandwetvergunning geen vereiste is voor het sluiten van een huurovereenkomst naar zijn aard van korte duur. De consequentie hiervan is dat verhuurders de volledige vrijheid hebben om een keuze te maken tussen beide tijdelijke huurovereenkomsten.
Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. J. (Joke) Mikes: jmi@justionadvocaten.nl of met mr. L. (Lizelotte) de Hoog: ldh@justionadvocaten.nl.
|
|
|
In verband met de zomerperiode kunt u onze volgende nieuwsbrief eind september tegemoet zien.
|
| Kantoor Middelburg: |
|
Kantoor Rotterdam: |
| Park Veldzigt 2 |
Westersingel 104 |
| P Postbus 132 |
3015 LD Rotterdam |
| 4330 AC MIDDELBURG |
T 010 – 411 30 76 |
| T 0118 – 623 719 |
F 010 – 270 90 04 |
| F 0118 – 638 347 |
|
|
www.justionadvocaten.nl
|
Is de nieuwsbrief niet goed te lezen? Klik dan hier om hem online te lezen.
U ontvangt deze nieuwsbrief omdat u een relatie bent van Justion Advocaten.
Wilt u zich uitschrijven? Klik dan hier.
|
|